Konijnenkraak

Konijnenkraak

Het zal eind jaren ‘70 zijn geweest toen ik op zaterdagmorgen om zeven uur moest beginnen voor een dagdienst. De vroege zaterdagdienst was meestal een makkie. Mijn wat oudere collega Jan en ik losten de nachtdienst af. Deze zaten al met slaperige ogen op ons te wachten en rapporteerden, dat ze die nacht wat problemen hadden gehad met dronkenlappen van de  bovenbuurt, maar deze waren afgedropen toen de collega’s ter plaatse kwamen. Deze knapen waren met naam en toenaam bij ons bekend en behoorden, zoals wij dat onderling benoemden, tot het zogenaamde “Huttenvolk”. Ze waren door de nachtdienst gewaarschuwd, dat ze zich rustig moesten houden en dat hadden ze, volgens de wat slaperige en gapende nachtdienst, ter harte genomen. Verder was er die nacht, op een kleine aanrijding na, niets bijzonders gebeurd. Nadat de vermoeide collega’s naar huis waren gegaan en wij ons bij de meldkamer hadden aangemeld, werd er een verse pot koffie gezet om wakker te worden. We hadden echter nog maar net het eerste kopje ingeschonken of de mobilofoon kraakte en de altijd vrolijke stem van Willem de Wit van de meldkamer riep ons op en vroeg ons hem even te bellen. Willem vertelde dat hij een melding had gehad van een zekere ter Maat wonende aan de Eikstraat in onze standplaats. Deze was hevig over de toeren en had gemeld, dat al zijn konijnen uit de hokken achter zijn woning waren verdwenen. Hij wilde, dat de politie bij hem kwam om de zaak op te nemen.

Nadat we onze slokdarmen hadden getest op hun hittebestendigheid (het was zonde om de koffie weg te gooien) werd de GSA, ofwel de Grote Surveillance Auto in Rijssen beter bekend als de Patatwaag’n, gestart en naar de Eikstraat gereden. Hier aangekomen stond ter Maat ons al op te wachten voor zijn woning. Van verre probeerde hij ons met handen en voeten duidelijk te maken, dat we bij hem moesten zijn. Nadat we de Patatwaag’n hadden geparkeerd, vertelde hij ons, dat hij die morgen wat vroeger was opgestaan met de bedoeling om te gaan vissen. Terwijl hij achter een kop thee zat en naar buiten had gekeken, kreeg hij het vermoeden dat er iets niet klopte. In eerste instantie kon hij niet bedenken wat het was, maar na enige tijd constateerde hij vanachter het keukenraam, dat er geen leven meer in de konijnenhokken achter zijn woning was. Zo snel zijn voeten hem maar konden dragen was hij naar het afdak gelopen, waaronder zijn konijnenhokken stonden en had gezien, dat al zijn konijnen waren verdwenen. Met tranen in de ogen vertelde hij dat al zijn met liefde opgefokte raskonijnen van het merk Lotharingen waren gestolen. Zelfs de moeder konijnen (in konijnenfokkersvaktaal voedsters genaamd) met jongen waren weg. De hokken stonden nog open. Om eventuele sporen te behouden had hij niets aangeraakt en direct de politie gebeld.

Wij namen een kijkje onder het afdak en zagen, dat er inderdaad in geen enkel hok nog een konijn aanwezig was. Alle hokken stonden open en er liepen verschillende voetsporen van de tuin naar het tuinmuurtje. We konden zien, dat de daders over dit muurtje waren gesprongen en dat er wat zand onder deze muur op het trottoir lag. Gezien de zandsporen die in de richting van de Bovenbuurt liepen keken collega Jan en ik elkaar eens aan en we dachten op dat moment hetzelfde. Onze vrienden, die afgelopen nacht al problemen hadden veroorzaakt en bekend stonden als wildstropers, konden wel eens debet zijn aan deze konijnenkraak. Het was echter maar een gok en zoals het spreekwoord zegt: “Niet geschoten is altijd mis”. Naast ons beider vermoeden hadden we echter geen enkel aanknopingspunt.

Zoals het in dergelijke zaken gaat, werden eerst de schoensporen veiliggesteld. In dit geval gebeurde dit met een stel oude plastic bakken, die over de bruikbare en meeste duidelijke sporen werden gezet. Onze konijnenfokker bekeek het een en ander en kon er maar niet over uit, dat er lieden bestonden die zijn konijnen hadden gestolen. Zijn vrouw, die ook in alle staten was, deed er nog schepje boven op. In haar nachtjapon, zijnde een vier persoonstent uit de jaren vijftig, wenste ze dat deze lieden werden opgesloten en nooit meer losgelaten zouden worden. Ze had medelijden met haar man, die nu weer helemaal opnieuw moest beginnen met het opzetten van een fokprogramma met deze konijnen en dat terwijl hij de laatste jaren al zo veel prijzen had gewonnen op diverse tentoonstellingen met deze konijnen. Nadat de sporen waren veilig gesteld, werd onder het genot van een verse bak koffie de aangifte door collega Jan opgenomen. De aangever verklaarde geen idee te hebben, wie zijn konijnen gestolen zou kunnen hebben. Volgens hem had hij geen vijanden. Na mijn koffie te hebben opgedronken liep ik de buurt in om hier en daar eens rond te vragen of men die nacht nog wat had gezien. Bij enkele woningen had ik reeds tevergeefs rondgevraagd, toen ik bij Jansje kwam. Jansje was een vrouwtje van in de tachtig, die voor haar jaren nog aardig bij de tijd was. Zij vroeg mij om bij haar binnen te komen en ongevraagd vertelde zij, dat ze afgelopen nacht niet had kunnen slapen en was opgestaan. Wanneer dat gebeurde ging ze vaak zonder het licht aan te doen, in de kamer zitten. Omstreeks 03.00 uur, het tijdstip wist ze nog precies omdat de klok van de Schildkerk 3 uur had geslagen, had zij twee figuren zien lopen, die uit de Eikstraat kwamen en richting de Bovenbuurt liepen. Beide knapen hadden zakken op de rug gehad en ze had dit wat vreemd gevonden. Ze beschreef de knapen als een lange slungel en een korte gezette knaap. Deze beschrijving paste precies bij de heren die Jan en ik al op de korrel hadden en die in diezelfde nacht waren gewaarschuwd door de nachtploeg. Wettelijk gezien was het echter niet genoeg om deze figuren aan de tand te voelen over deze konijnendiefstal. Wat verderop in de straat had een andere buurman, Arend P., gezien, dat omstreeks dat tijdstip twee figuren met een zak op de rug de Bovenbuurt ingelopen waren. Ook deze signalering was niet voldoende om actie op te ondernemen.

Terug op de PD (plaats delict) bleek, dat een collega van de technische recherche was gearriveerd en dat deze bezig was met het maken van gipsafdrukken van de schoensporen. Jan wilde ook een speurhond laten komen, maar dat bleek niet mogelijk omdat de hond ziek was. Dit was zeer spijtig aangezien we hierop onze hoop hadden gevestigd. Toen de gipsen waren afgenomen vertelde Jaap van de TR (technische recherche), dat we moesten uitkijken naar schoenmaten 43 en 45, waarvan de 45 maat een stuk uit de rechterzool mistte ter hoogte van de hak. Het profiel van maatje 43 was geribbeld met een rondje in het midden. Met de aangifte en de bevindingen van de TR man togen wij naar de kazerne om de zaak voor te leggen aan onze baas. Deze moest maar beslissen of er voldoende aanwijzingen waren om de beide knapen die wij op de korrel hadden voor deze zaak, aan te pakken. Jan en ik waren er bijna 100% zeker van dat Schele Fransje en Krull’n Gait deze diefstal hadden gepleegd.

Fransje had deze bijnaam gekregen omdat hij met zijn linkeroog bijna de andere wereld in keek. Men had hem een keer bij een vechtpartij op zijn linkeroog geslagen en dit was nooit meer goed gekomen. Hij had een kort en gezet postuur. Gait was het tegenovergestelde van Fransje en was een slungelachtige lange vent. Nadat we alles hadden voorgelegd aan onze baas, verklaarde deze doodleuk, dat wat wij dachten prachtig was, maar dat dit zeer zeker niet genoeg was om een bevel tot huiszoeking af te geven. Hoe we ook om hem in praten en hem probeerden over te halen om toch het huiszoekingsbevel af te geven, hij bleef bij zijn standpunt. Hij als HOVJ (Hulp officier van Justitie) kon op deze gronden niet meewerken. We moesten het maar oplossen zonder zijn medewerking.

Toen we alles nog eens op een rijtje hadden gezet, togen Jan en ik naar de woning van Schele Fransje in de Bovenbuurt. Na een aantal keren op de bel te hebben gedrukt, bewoog het gordijn van het slaapkamerraam en even later deed Fransje de deur open, waarbij hij ons met zijn slaperige kop van twee verschillende kanten aankeek. Quasi nonchalant zei ik vervolgens tegen Fransje dat hij het doel van onze komst wel kon raden. Zonder ook maar een woord te hebben gerept over de diefstal van de konijnen, antwoordde Fransje dat hij niets te maken had met diefstal van konijnen. Ik gaf Jan een knipoog om hem duidelijk te maken dat we goed zaten. BINGO. Ik vroeg aan de nog scheler kijkende Fransje, dat als hij hiervan toch niets wist, hij er ook geen bezwaar tegen zou hebben als wij even bij hem binnen mochten kijken. Om niet nog meer verdacht te worden gooide Fransje de voordeur van zijn woning open, zodat wij naar binnen konden. Binnengekomen vroegen we Fransje om zijn medewerking. Wij vroegen hem of hij bezwaar had dat we zijn woning wat verder onderzochten. Fransje keek nog scheler toen we hem dit vroegen, waarbij hij verklaarde dat hij niets te verbergen had. We mochten zijn hele huis doorzoeken. Nadat we Fransje hadden geïnstalleerd in de woonkamer en Jan hem in de gaten hield stelde ik een onderzoek in. Dit viel echter niet mee, omdat de gehele woning een grote puinhoop was. De woning was vergeven van lege flessen en gezien de hoeveelheid potten en pannen die op het aanrecht stonden, had Fransje de afgelopen weken niet afgewassen. De eerste plek die ik uitkoos om te kijken was de diepvries, die in de berging stond. Ik behoefde de deur niet eens te openen, want ik zag dat er een plasje bloed onder deze diepvries lag. Toen ik de deur opendeed, zag ik dat deze gevuld was met bloederige plastic zakken, gevuld met vlees wat nog niet bevroren was. Fransje hiermee confronterend, verklaarde dat dit varkensvlees was, dat hij had gekocht van een bevriende slager. Gezien de stand van zijn ogen (hij keek een stuk scheler dan normaal) vertelde hij niet de waarheid. Teruggekomen in de keuken zag ik buiten een aantal vuilniszakken staan, die er kennelijk nog niet zo lang hadden gestaan. Ik liep naar buiten en opende 1 van deze zakken. in deze zak trof ik slachtafval aan van konijnen. Binnengekomen vertelde ik Fransje wat ik had gevonden en dat het maar rare varkens waren geweest die hij had geslacht. Fransje sloeg zijn schele ogen neer en bekende dat hij die nacht samen met Gait in een dronken bui alle konijnen had weggenomen uit de hokken achter een woning aan de Eikstraat. Ze hadden de dieren in jutezakken gedaan en meegenomen naar zijn woning, alwaar ze de oudere dieren direct hadden geslacht. De jonge konijnen hadden ze laten leven om te verkopen aan een opkoper. Op aanwijzing van Fransje trof ik in de douchebak in de badkamer een aantal jonge konijnen aan. Nadat Fransje was aangehouden en de konijnen in de Patatwaag’n waren geladen, werd het hele spul overgebracht naar de kazerne. Tevens werden alle schoenen van Fransje voor onderzoek meegenomen.

Op het bureau aangekomen werden we opgewacht door onze baas. Hij nam Fransje een kort verhoor af en wij kregen de opdracht om de zaak verder af te werken. Fransje werd opgeborgen in de cel en wij togen naar de woning van Krull’n Gait. Daar aangekomen werd de deur geopend door de moeder van Gait. Deze vrouw was bij ons bekend als een best mens. Ze was echter niet opgewassen tegen haar zoon, die er letterlijk niets van bakte en voor galg en rad opgroeide. Nadat wij haar de toedracht van onze komst hadden verteld, legde ze uit dat Gait nog in bed lag en dat wij hem er maar uit moesten halen. In de slaapkamer van Gait hing een walm van drank en kots. Gezien een emmer naast het bed, was hem de drank niet goed bekomen. Met moeite kregen we hem wakker en geboden hem om zich aan te kleden en mee te gaan naar de kazerne. Gait werd wat helderder en vroeg waarom hij mee moest, want hij had niets gedaan. Vergezeld van een zak vol schoenen, werd hij in de kuif gepikt en meegenomen naar de kazerne. Daar aangekomen werd Gait in een verhoorkamertje geplaatst, omdat wij geen contact wensten tussen hem en Fransje. Ook Gait kreeg bezoek van onze baas, maar Gait ontkende in alle toonaarden. Door ons werden vervolgende schoenen van Gait onderzocht en op 1 van de schoenen van Gait, die maatje 45 had, ontbrak een stuk uit de rechterhak. Ook de schoenen van Fransje werden bekeken. Het paar dat hij op het moment van aanhouding aanhad vertoonde een geribbeld profiel met in het midden een rondje. In onze ogen was de bewijsvoering rond.

Nu ging het er om beide verdachten een bekennende verklaring af te laten leggen. Met Fransje was dit geen probleem. Binnen de kortste keren was zijn verhaal op papier gezet. Hij bekende de diefstal van de konijnen samen met Gait. Hij had nu veel spijt en wenste volledige medewerking te verlenen. Hij deed afstand van de geslachte konijnen en de nog levende jongen. Krull’n Gait daarentegen wenste geen verklaring af te leggen en beriep zich op het recht om te zwijgen. Pas na een moeizaam verhoor en een confrontatie met Fransje bekende hij ook zijn deel van de diefstal. Beide heren werden vervolgens in opdracht van onze baas de straat opgestuurd met een proces-verbaal aan de broek. De aangever werd opnieuw met een bezoek vereerd en in een doos werden hem de nog levende jongen teruggegeven. Hij was hier geweldig blij mee, omdat hij nu weer een begin kon maken met zijn eigen gefokte konijnen. Beide verdachte werden veroordeeld voor deze diefstal en kregen voorwaardelijke straffen, evenals de verplichting om het slachtoffer schadeloos te stellen.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *